Veel algemene informatie over tennisellebogen is te vinden via de links onderaan de site.

Waarom een standaardmethode?

  1. De behandeling is veilig (lees meer )
  2. U kiest zelf welke vloeistof u gebruik (bijvoorbeeld autoloog bloed / PRP/ dextrose)
  3. De handeling is te delegeren naar een arts assistent
  4. Gestandaardiseerde injectie, slechts 0,5 ml vloeistof nodig

Hoe werkt het ITEC Medical device?

Het ITEC Medical device bestaat uit een inklapbare behandeltafel (de ITEC–it) en een disposable (de ITEC-id). Het ITEC disposable bevat 12 naaldjes.

Voor de behandeling start dient een ultrasound meting te worden verricht, waarbij de diepte van huid tot centrum van de ECRB pees wordt gemeten in mm. U kunt deze meting zelf verrichten of delegeren naar een radioloog of deskundige fysiotherapeut.

De gemeten diepte wordt ingesteld op de behandeltafel.

Een steriel disposable wordt in de behandeltafel geklikt. Vervolgens wordt eenvoudig op de juiste diepte geïnjecteerd, direct in het hele traject van de ECRB pees. De injectie is in enkele seconden voltooid.

Quick Reference Card

Hier vindt u alle details van de behandelmethode in beeld.

  • tenniselleboog = epicondylitis lateralis = degeneratie van de pees van de ECRB ( Extensor Carpi Radialis Brevis, de spier die zorgt voor strekken van de hand).
  • ongeveer 12% van de patiënten wordt doorverwezen naar de fysiotherapeut en slecht 2% wordt geopereerd (noot 1).
  • Het meest voorkomend in de groep tussen 40 en 50 jaar, zelden onder de 20 jaar (noot 2).
  • De ITEC methode heeft als doel om de doorbloeding van de pees te bevorderen waardoor lichaamseigen stoffen hun werk sneller kunnen doen om pijn klachten terug te dringen.
  • Epicondylitis lateralis is een zeer frequent voorkomende diagnose, de prevalentie is rond de 2 % in de algemene bevolking (lees meer: referentie 1 en referentie 3)
  • Er is toenemend bewijs voor de effectiviteit van injecties met autoloog bloed, PRP en dextrose (lees meer: referentie 2) Handmatig injecteren blijkt echter in 70 % van de gevallen NIET de ECRB pees te bereiken (lees meer: referentie 4)
  • Injecties die worden gegeven met behulp van het ITEC Medical device blijken in 100% van de gevallen de ECRB pees te infiltreren.

noot 1: Verwijscijfers
De Continue Morbiditeitsregistratie Nijmegen (CMR) vermeldt 12,8% verwijzingen naar de fysiotherapeut en 1,6% naar de orthopedisch chirurg (periode 2002 tot en met 2006; n = gemiddeld 13.500), en de Tweede Nationale Studie (n = 375.899) 12,3% respectievelijk 2,1% [Van de Lisdonk 2008, Van der Linden 2004]. In Nederland worden jaarlijks ongeveer 1.425 mensen geopereerd voor epicondylitis lateralis (bron: Prismant; periode 2002 t/m 2006). Uitgaande van een gemiddelde incidentie van 6,5 per 1.000 patiënten per jaar en gemiddeld 1,85% verwijzingen naar de chirurg kan berekend worden dat ongeveer driekwart van de verwezen patiënten wordt geopereerd.

noot 2: Incidentie en prevalentie
Huisartsenpraktijk. In de Tweede Nationale Studie bedraagt de incidentie van epicondylitis lateralis 5,4 episoden per 1.000 patiëntjaren en de prevalentie 7,2 per 1.000 patiënten [Van der Linden 2004]. Bot et al. rapporteren op basis van de gegevens van de Tweede Nationale Studie 19 consulten per 1.000 patiënten per jaar [Bot 2005a]. Onder de leeftijd van 20 jaar wordt deze aandoening in de huisartsenpraktijk zelden vastgesteld, daarna neemt de incidentie toe tot 12,6 bij de leeftijdscategorie van 40 tot 50 jaar en neemt daarna geleidelijk weer af [Bot 2005a]. Volgens de CMR bedragen zowel de incidentie als de prevalentie 7,6 [Van de Lisdonk 2003]. De genoemde cijfers zijn voor mannen en vrouwen vrijwel hetzelfde. Beide bronnen gebruiken voor epicondylitis medialis geen separate code en geven daarom geen incidentie- en prevalentiecijfers voor deze aandoening. Elders zijn deze evenmin gevonden. Ze zijn naar schatting een factor tien kleiner dan die voor epicondylitis lateralis. Deze schatting berust op gegevens van het ROME-project (Reuma-Onderzoek Meerdere Echelons). Bij dit project is een deel van de incidente patiënten uit de Eerste Nationale Studie van het NIVEL gedurende een periode van bijna vier jaar gevolgd. Daarna werd een einddiagnose gesteld. Bij patiënten die met nieuwe elleboogklachten de huisarts consulteerden werd bij 65% een epicondylitis lateralis gediagnosticeerd en bij 5% een epicondylitis medialis. Bij 9% werd een bursitis olecrani vastgesteld [Miedema 1994].

Algemene bevolking. Bij een Engels en een Fins bevolkingsonderzoek onder een aselecte groep personen van 25 tot 65 respectievelijk 30 tot 65 jaar (n = 6.038 respectievelijk 4.993) was de prevalentie van epicondylitis lateralis 1,2% respectievelijk 1,3% en van epicondylitis medialis 0,8% respectievelijk 0,4% [Walker-Bone 2004, Shiri 2006]. Dergelijk onderzoek onder de Nederlandse bevolking werd niet gevonden.